Over

Een moment in de tijd

De tijd raast door terwijl ons leven stil lijkt te staan. Plannen worden bevroren. Uitgesteld. Van de baan geveegd. Scholen, horeca, cultuur, kleine winkels, alles is weer dicht. En dat halverwege de week voor de kerstvakantie. Koning COVID-19 regeert nog steeds. Mijn kleuters snappen er niets van. Wat moet ik antwoorden op vragen als: “Maar juf we moeten toch nog Kerstmis vieren?” of “Is Jezus dan al geboren?” Het is zo moeilijk uit te leggen. Het kerstfeest op school waar vooral onze jongste leerlingen zo naar uitkeken gaat niet door. In plaats daarvan maken we weer lespakketten, we worden er onderhand bijzonder bedreven in. We doen er een kerstkaartje bij en kleine verrassinkjes.  En maken ons opnieuw zorgen over de kwetsbare kinderen uit risicogezinnen. Kinderen die er de dupe van zijn dat een aantal volwassenen corona negeert en uitgebreid ‘black-fridayt’, feestjes bouwt en weigert om een mondkapje te dragen. Mensen accepteren de beperkingen niet meer. De sfeer is soms grimmig. Er wordt gedemonstreerd, betoogd, respectloos en onnadenkend gehandeld. Maar dat werkt averechts want om naar een betere toekomst te gaan, zullen we het heden moeten accepteren met alle regels die daarbij horen.

Het is zwaar, het duurt lang. Het vaccin laat op zich wachten en er is inmiddels een coronavariant die nóg besmettelijker is. De dagen zijn kort en grijs, dat helpt ook niet echt mee aan positiviteit en optimisme. Gelukkig zie ik ook geweldige kerst-initiatieven; er zijn mensen die er steeds bedrevener in raken om de mooiste digitale concertjes te geven. En al die ontroerende kerstreclames op de televisie en die prachtige filmpjes voor onze zorgtoppers, ze denderen mijn hart binnen en gooien mijn stabiliteit overhoop. Mijn huis is uitbundiger voor Kerstmis versierd dan anders. Meer lichtjes, meer kaarsjes. Zo’n gezellig mogelijk thuis maken, want thuis is toch ons coconnetje, het coconnetje waarin we leven, werken en dromen van een betere toekomst. Waarin we zullen beseffen dat corona slechts een moment in de tijd, een tel in de eeuwigheid was. Dromen dat we weer opgekrabbeld zijn. Het virus overwonnen. De economie weer draait, bedrijven overeind komen en bouwen op de fundamenten van wat ooit was. Die arm om iemand heen mogen slaan. Een kus, een spontane omhelzing. Samen genieten in een vol theater om daarna tegen elkaar aan in een druk café met de glazen te klinken. Waar we samen dansen, het leven vieren en uren later zorgeloos hand in hand naar huis lopen.

Een moment in de tijd. Laten we daarom doen wat we moeten doen. Ons houden aan de regels. Voor ons zelf. Voor elkaar. Voor onze kinderen. Kinderen zijn de bouwstenen van het menselijk ras. Zij verdienen een gezonde wereld. Een wereld met ruimte voor spontaniteit. Zonder beperkingen. Waar artsen en zorgpersoneel fit en met plezier hun werk kunnen doen. Met scholen die niet hoeven te sluiten. Met bloeiende bedrijven. Een utopie? Nee. Een nieuwjaarwens. Eentje die uitkomt. Niet in januari, ook niet de maand erna. Maar dat we met het lengen van de dagen en de zon die ons verwarmt, de bloesem aan de bomen en bloemen in de knop, onze deuren en ramen open zullen gooien en kunnen roepen: “Het is voorbij!”

Vivianne Rijnders©

Coronaatje meer of minder

Op zondagochtend in alle vroegte kreeg mijn jongste dochter telefoon van de GGD. Vrolijk vertelde de dame aan de lijn haar dat ze had samengewerkt met een collega die recent positief getest was op corona. En dat ze daarom vijf dagen in thuisquarantaine moest. Einde informatie. Mijn dochter was te perplex om nog iets te kunnen vragen. Paniek wil ik het niet noemen maar we waren toch wel even in de ‘jeetje wat nu modus’. Ik belde de informatielijn van het RIVM. Per slot van rekening werken mijn P en ik in het basisonderwijs. Ik vreesde uren in de wacht te moeten staan met een pianomuziekje, of alleen met een robot te kunnen praten maar ik kreeg warempel gelijk een levend mens aan de telefoon. Ik legde de situatie uit, maar ook deze mevrouw deed bijzonder luchtig. Nee hoor, niks aan de hand, wij konden gewoon gaan werken. “Maar ik sta voor de klas en mijn man is conciërge, we kunnen in ons werk geen anderhalve meter afstand garanderen.” “Allemaal geen punt, gewoon gaan en bij klachten éven een testje laten doen,” luidde het advies. De rest van de dag heb ik in opperste verbazing verkeerd. Een coronaatje meer of minder, het leek niet te deren.

Een dag later had jongste dochter ‘klachten’ zoals we dat tegenwoordig noemen. Ze dacht aan hooikoorts. Maar zo tegen de herfst leek me dat niet heel waarschijnlijk. De dag daarna was ze echt ziek. Ik chloorde het hele huis met de regelmaat van de klok. Deurklinken, lichtknoppen, afstandsbedieningen, alles. Kocht vitamines, potten honing, pakken zakdoeken en paracetamol. De test was aangevraagd, dat kon twee dagen later. Twee dagen! Ik vond dat iedereen maar erg laconiek met de situatie omging terwijl ik overbezorgd  ’s nachts bij mijn bijna twintigjarige kind ging kijken of het nog wel allemaal goed ging. Je hoort zulke nare verhalen, ik had geen rust. Zij wel, ze sliep als een os.

Op de dag van de test was ze alweer fit. Ik niet, ik voelde me gesloopt door de zorgen. We reden de teststraat in. Het  was alsof we in een filmscène zaten. Twee rijen met auto’s, af en toe een fietser ertussen. Gehoest en geproest alom, mondkapjes, mensen die landerig in hun wagen hingen. Aan het einde van de rij stonden witte tenten. Binnen wachtten twee in het wit verpakte dames. Ik vond het zo surrealistisch, zo bizar. We hoefden alleen maar het autoraampje open te doen, dochter moest haar neus snuiten, kreeg een stokje in haar keel en daarna in haar neus gestopt en dat was het. Binnen twee dagen de uitslag. We mochten doorrijden. “Dag, een fijne dag!” Na deze ‘beproeving’ vond mijn dochter dat ze iets lekkers verdiend had. Een grote iced frappé met slagroom zou er wel ingaan. Weer in een rij auto’s, weer mondkapjes maar dit gaf toch een ander gevoel.

Een dag later kwam de verlossende email: negatief, geen corona dus. Wat een opluchting! De ‘als … dan… scenario’s’ kon ik uit mijn hoofd verbannen.
Ik begrijp nog steeds niet het laconieke van de dames aan de telefoon bij zowel de GGD als het RIVM. COVID-19 heeft misschien je kind te pakken, je hebt vragen en zorgen en dan wordt daar zo luchtig mee omgegaan. Om paniek te voorkomen? Misschien. Ik zie die teststraat nog steeds voor me. En vraag me af hoeveel mensen een slechte uitslag hebben gekregen. Hoeveel gezinnen er wel écht in quarantaine moeten. Hoeveel van die mensen er écht doodziek zijn. Soms lijkt het of je went aan dat hele corona-gedoe, maar als het zo dichtbij komt voel je de impact weer. Het dendert door je lijf en door je hart. Waar is het zorgeloze? Het veilige gevoel? De ongedwongen gezelligheid?

Net bij de supermarkt sproeide een meneer zijn karretje schoon. De desinfecterende vloeistof spoot tot op mijn blote benen. Zucht … Maar goed …  Alleen sámen krijgen we corona eronder, zullen we maar zeggen.

Vivianne Rijnders©

Corona aan zee

Zullen we wel, zullen we niet? We blijven lang twijfelen. Annuleren we het uitstapje dat we al eens eerder geannuleerd hebben? Uit de laatste persconferentie blijkt niet dat we niet mogen gaan. We zijn gezond, iedereen in onze omgeving ook dus we besluiten het erop te wagen. En hoe heerlijk ik het ook vind om naar Vlieland te gaan, ik voel me op de een of andere manier schuldig. Is het niet beter om gewoon thuis te blijven? Hoort dat niet bij een gedeeltelijke lockdown? Ik voel me als een kind dat iets doet dat eigenlijk niet mag.

Het inpakken verloopt al anders: handgel mee, rubberen handschoenen en meer mondkapjes dan schone sokken. We doorkruisen het land en aan de vele auto’s te zien zijn we niet de enigen die er in de herfstvakantie even uit willen. “Vermijd drukke plekken” en “Reis alleen indien noodzakelijk”, spreken de matrixborden langs de weg ons vermanend toe. Weer dat gevoel dat we iets doen dat niet in de haak is. Ik houd zo van het weidse Hollandse landschap, de kassen in de velden en al dat water. Maar deze keer voelt het anders. Het grote genieten ontbreekt. In Harlingen moeten we in de haven al een mondkapje op en overal staan pompjes met het inmiddels beroemde desinfectiemiddel. De boot naar Vlieland is enorm, de passagiers kunnen er riant meters ver uit elkaar zitten. Aangemeerd in Vlieland verlaten we perfect gedisciplineerd het veer. Niemand dringt, iedereen houdt afstand en, heel opvallend, iedereen is bijzonder vriendelijk. Dat mis ik helaas steeds vaker in deze tweede coronagolf. Het kribbige, het geen rekening met elkaar houden, het maakt me soms mistroostig. Maar hier gaat het prima en het vakantiegevoel begint langzaam te komen. Eenmaal in de Dorpsstraat val ik als een blok voor dit charmante plaatsje en krijg de neiging om met rolkoffertje en al een dansje te maken.

In onze accommodatie ‘Hotelletje de Veerman’ aan het einde van de straat worden we enthousiast ontvangen. Ook hier houdt iedereen zich moeiteloos aan de strenge regels. Misschien juist door de vriendelijke en hartelijke sfeer. Geen gemaar of lange gezichten. Mondkapjes, gelletjes, om de beurt naar het ontbijtbuffet, zelf je servies en bestek wegzetten, alle gasten doen precies wat van hen gevraagd wordt. We voelen ons hier meteen thuis en veilig. Lunchen en dineren kan nergens, maar we krijgen bij het ontbijt extra brood met beleg en papieren zakken voor ’s middags. Voor het diner is er thuisbezorgdvlieland.nl en een aantal dorpsbewoners dat heerlijk kookt en waar je voor een zacht prijsje een warme hap kunt afhalen. De creativiteit en saamhorigheid is sterk, “Alleen samen krijgen we corona eronder” wordt hier daadwerkelijk in praktijk gebracht. Het ontroert me, deze warmte in bizarre tijden.

Onze kamer, ik vraag me af waar ik het aan verdiend heb want dat ‘stout kind-gevoel’ zit nog ergens, kijkt uit op de Waddenzee. Vanaf het balkonnetje zie ik de dijk en dan water, niks dan water. Een vissersboot vaart voorbij, zwermen meeuwen vliegen krijsend boven de netten. Dollende honden dartelen met hun baasjes over de dijk. Het is zalig.

En nu woedt er een storm. Een heuse storm van windkracht negen. Dochter moet studeren en ik schrijven dus we zitten vooralsnog warm en droog. Maar de wind rammelt en rukt aan de balkondeuren met een geweld alsof ze elk moment uit hun sponningen kunnen springen. Wat vaker dan normaal strek ik even de benen en loop naar het raam. De golven slaan stuk tegen de dijk, rollen er soms woest overheen. Het zeewater vormt zilte plassen in het weiland. De aanblik ervan geeft me een innerlijke rust zoals ik die alleen aan zee beleef. De storm wordt steviger, ik móet de kracht van de elementen ervaren. Hup, jas en laarzen aan en naar buiten!

Wat doet dat goed. Corona- en andere muizenissen worden door de wind meegenomen, de regen striemt in mijn gezicht en vervult me van levenslust. Ik laat het zeewater rond mijn enkels stromen. Op het  strand staat een tekst in het zand: “Leef op het ritme van de zee, zonder het tikken van de tijd”. En zo is het. De tijd tikt toch wel door, wat er ook gebeurt. En die tijd zal uiteindelijk het virus ook wegtikken. Tot op de dag, die mooie dag dat we tegen elkaar kunnen zeggen: “Weet je nog, toen?”

Vivianne Rijnders©

Aanstel?

Deze column schreef ik voor City Magazine Maastricht&Regio van juli/augustus ’20.

Het is zondag 19 juli en ik moet even een ‘kemissieke’ in de stad doen. Het zal wel druk zijn vrees ik, dus ik spring vroeg op mijn fiets zodat ik de grote massa voor ben. Nou, dat had ik gedacht! Langs de Maas richting centrum fietsen is een hindernisbaan. Overal flaneren mensen. De stalling tegenover het ‘Pothuiske’ is helemaal vol. Ik schrik als ik zie dat de witte strepen op de grond de mensen niet lijken te deren en onze ‘houd-afstand- engel’ zal zich wel afvragen waar hij nog voor dient. Iedereen krioelt door elkaar. De winkel waar ik moet zijn heeft geen ontsmettingsmiddel meer aan de ingang staan en het is er te druk. Ik word er bijna paniekerig van. Snel reken ik af en slalom tussen de mensen door terug naar mijn fiets. Een kakofonie van talen klinkt door de winkelstraten. Mensen botsen tegen me op. Bij de derde botsing vraag ik aan de persoon in kwestie, en ik zal ongetwijfeld pinnig geklonken hebben maar dan nog, of zij alstublieft rechts wil houden. “Wat een aanstel!” reageert ze. Waarom heb je op zo’n moment niet het juiste antwoord paraat? Ik snap echt niet hoe mensen nu zo laks kunnen zijn. In België is in de afgelopen dagen het aantal besmettingen met zestig procent gestegen! Hier doet het gros van de mensen alsof Corona voorgoed verleden tijd is. Ik heb altijd van reuring en stadsdrukte gehouden maar wat een verademing om thuis in mijn tuintje neer te ploffen. Met het gekeuvel van mijn buurvrouw en het ruisen van de wind door de bomen als enige en op de één of andere manier geruststellende achtergrondgeluid.

Mijn moeder heb ik van begin maart niet meer aangeraakt. We zijn zo voorzichtig geweest, en nog steeds. Kennen anderen geen angst om hun ouders of grootouders te besmetten? Zien ze het gevaar niet, is de drukte opzoeken zo belangrijk? Deze week zijn twee mensen die ik kende overleden. Een vrouw in mijn leeftijd, en een jonge man, even oud als mijn zoon. Niet corona-gerelateerd, maar als er zoiets vreselijks gebeurt besef je de waarde van het leven ineens weer dubbel zo goed. En daarom mogen voor mij de regels in de stad aangescherpt worden. Ja, ik weet heel goed dat de economie moet doordraaien, dat onze ondernemers de scherven van de coronacrisis uit alle macht proberen te lijmen, hun gemiste inkomsten willen inlopen. Maar de balans tussen zorgvuldig en verantwoord omgaan met onze gezondheid en anderzijds ervoor zorgen dat zowel de economie als het culturele leven een boost krijgen, is ontzettend moeilijk te vinden.

Sinds twee maanden hebben we een kleindochter. De mooiste en de leukste en de liefste ooit. Dat zeggen alle grootouders, maar die van ons is het echt. In de kraamtijd mochten we niet bij het kersverse gezin op bezoek. Coronaregels. Een week die feestelijk zou moeten zijn verliep rustig en stilletjes. Inmiddels hebben we volop geknoeveld met ons gouweke maar met mijn moeder en schoonvader, de overgrootouders dus, zijn we nog steeds heel voorzichtig. Zij gaan nog nergens op visite, niet naar de winkel, stappen niet bij ons in de auto. Zoiets unieks als een achterkleinkind krijgen, staat door Corona verder van ze af dan wij allemaal zouden willen.
Ook op school hebben we tot en met de laatste schooldag alle regels blijven hanteren. Geen dikke ‘tot ziens juf-‘ knuffels, geen plakkerige kleuterkusjes op de juffenwang. En wij collega’s onderling hebben elkaar nog nooit zonder omhelzing een fijne vakantie gewenst. Zo incompleet om nu zonder ook maar iets fysieks vakantiewensen naar elkaar uit te spreken. En dan word je in de stad voor aansteller uitgemaakt als je iemand wijst op een regel!

De impact van Corona. Wie had dat gedacht toen we er eind februari nog wat onverschillig over deden. En nu, midden in de zomer wordt er weer opnieuw onverschillig over gedaan. Zo kortzichtig. We hebben het leven lief, we hebben elkaar lief. Laten we daarom voor elkaar zorgen, een maatschappij creëren waarin iedereen rekening houdt met elkaar. Des te sneller zijn we af van dat vreselijke ‘nieuwe normaal’. En kunnen we eindelijk onze moeders en oma’s die broodnodige en welverdiende knuffels weer geven!

Vivianne Rijnders

Gewoon?

Ineens was het toch heel ernstig. We deden er eerst wat onverschillig over; och, in China is weer eens wat. En wij gingen carnaval vieren. Door de regen dicht op elkaar gepropt in cafés. We gingen gewoon door met ons leven. Met naar het theater gaan. Of naar de film. Boodschappen doen en een kop koffie in de stad drinken. Een wijntje bij mijn moeder. Knuffelen met de kleuters in mijn groep. Ouders een hand geven op de tien-minuten-gesprekken. We deden wat we altijd deden. Zonder nadenken, omdat we het zo gewend waren. Maar Corona kwam naar Europa. Naar Italië. En toen naar andere landen. Naar ons land. Wij Nederlanders gingen eerst nog even door met alles. Zonder nadenken omdat we het zo gewend waren. Heel ernstig vatten we het niet op. Youp van ’t Hek had het in zijn columns over ‘dat hippe griepje’. 

Tot er niets meer te lachen viel. Tot er serieuze aantallen slachtoffers begonnen te vallen. Tot ons leven om dat virus draaide. Tot Corona een woord is geworden dat staat voor monster. Een onbekend monster dat onaangekondigd levens ontwricht. Ook als je niet ziek wordt zijn de gevolgen gigantisch. Voor iedereen. Er kan onmogelijk iemand normaal doorgaan met zijn leven zoals we dat twee weken geleden nog deden. Toen we ons druk maakten om futiliteiten. Boos waren omdat we kletsnat geregend waren. Geërgerd in de file stonden. Besluiteloos door de supermarkt slenterden: wat zullen vanavond eten? Er is nu maar één ding belangrijk: niet ziek worden! Youp ligt nu zelf in het ziekenhuis. De prins van Monaco heeft het ook. En Tom Hanks. Afkomst, beroep, leeftijd, het maakt dit virus niets uit. Het velt wat het vellen kan en dat is enorm zorgwekkend.

Hoe lang het gaat duren? Dat weet niemand. We weten wel dat we er samen de schouders onder moeten zetten. Dat we ons samen aan de regels moeten houden. Dat we elkaar moeten helpen en voor elkaar moeten zorgen. Maar ook zo min mogelijk sociale contacten moeten hebben. Dat strookt niet helemaal met elkaar en dan komt ineens de creativiteit boven. Creativiteit waarvan je misschien niet eens wist dat je het had. Facebook staat vol met acties en hulpplannen. Filmpjes van mini-concertjes. Mooie troostende liedjes. Goede raad. Gepensioneerd medisch personeel gaat ondersteunen in de zorg. We applaudisseren samen. Kerkklokken luiden tegelijkertijd.  Prachtige initiatieven.

En dan mijn school. Een stille school. Lege klaslokalen. Lege kapstokjes. Bouwwerkjes staan op de kasten en vensterbanken. Hun schilderijen hangen op. Geen plas chocomel in de tassenkast. Geen stiekem achter de puzzels verstopt broodkostjes. Ik mis de armpjes om me heen. Het gekrioel om me heen. Al die stemmetjes door elkaar: “Juf, mag ik…? Juf, kun je even … ? Juf, hij plaagt, juf, zij slaat, juf juf juhuf!!!!” De stilte lijkt te zoemen in mijn oren. We maken lespakketjes en zoeken zinvolle websites. Mijn collega en ik zijn geen digi-helden maar het lukt ons om een eigen site te maken waarop van alles staat waar onze kleuters zich thuis mee bezig kunnen houden. We zoeken zorgvuldig voor elk kind biebboeken uit. Sturen ouders een dagplanning die overeen komt met het dagritme van school, dat is het beste voor de kinderen. We schrijven ze allemaal een kaartje. Bellen  ons grut op. Wat een feest, de juf aan de telefoon! Samen zoeken naar en zorgen voor lichtpuntjes.

Hoe bijzonder is gewoon. Gewoon doorgaan met ons leven. Met naar het theater gaan. Of naar de film. Boodschappen doen en een kop koffie in de stad drinken. Een wijntje bij mijn moeder. Knuffelen met de kleuters in mijn groep. Ouders een hand geven op de tien-minuten-gesprekken. Doen wat we altijd deden. Wordt het ooit weer gewoon? Met alle verliezen die zoveel mensen geleden hebben? Met zoveel ontwrichtingen in de maatschappij? Voorlopig niet vrees ik. Voorlopig is gewoon nog heel ver weg.

Vivianne Rijnders©

kunstig

Deze column schreef ik voor City Magazine Maastricht en Regio van eind februari/begin maart. Toen Corona nog niet ons leven dirigeerde. Toen we nog gewoon de stad in gingen. Naar school. Boodschappen doen. Toen dat virus nog ver weg was en nee, dat zou in ons land echt niet zo erg worden. Wat hebben we ons vergist. Laten we hopen dat de zorgeloosheid van het onderstaande stuk weer snel terug mag komen. En tot die tijd … laten we elkaar helpen en steunen. Blijf alsjeblieft gezond allemaal!

Februari was de maand van Ciara, Dennis en Luc. Respectievelijk aan winterstormen en boonte störm verbonden. De maand waarin het van Eijsden tot de Mokerhei eine groete café was. Van de Nationale Voorleesdagen en het nieuws dat Mathijs de Wereld niet meer laat Doordraaien. Het was ook de maand waarin ik meemaakte dat een leerling van mij uit huis werd geplaatst en naar een andere stad en andere school moet. Zowel haar verdriet als de impact op ons leerkrachten is enorm. Wat zou ik die hummel graag mee naar huis hebben genomen, ik zou er echt nog wel eentje groot krijgen. Maar dat gaat niet. Ik moet haar loslaten en kan alleen maar hopen dat haar ogen ooit weer stralen, haar mond lacht en haar hart liefde durft toe te laten. Als juf sta je in zo’n situatie volkomen machteloos. Dat frustreert en maakt me heel verdrietig.

En nu wordt het maart. Mijn oma zei altijd: “Maart heeft zeven zomerse dagen en april negen.” En aangezien ik alles wat mijn oma ooit zei nog steeds hooghoud, doe ik dat met deze uitspraak ook. Mijn P probeert mijn nimmer tanende optimisme de kop in te drukken door te roepen dat over vier maanden de dagen weer korter worden en dat steekt even. Echt maar héél even want hé, de lente is in aantocht! Je ruikt het buiten al. Zo’n fris zoetige geur vol beloften. De door stormen geteisterde bomen hullen zich in pastelkleurige bloesem en al die lagen kleding, waar ik zo’n hekel aan heb, hoeven niet meer. Winterjassen worden gewassen en opgeborgen. Althans die van mij. En daar kom ik altijd mee op de koffie. Want ondanks die zeven zomerse dagen kan maart het ineens vreselijk op haar heupen krijgen en er doodleuk nog eens een sneeuwbui tegenaan gooien of er anderszins een winters tafereeltje van maken. En dan loop ik in mijn jeansjasje.

Maart is ook de maand van de TEFAF. Net als tijdens de Vrijthofconcerten van André Rieu hangt er ook tijdens deze wereldberoemde kunstbeurs een aparte, sprankelende sfeer in de stad. Je voelt dat er iets speciaals is. En wat vind ik het altijd heerlijk om, vooral op de eerste dagen die alleen bestemd zijn voor genodigden, op een terras te gaan zitten en mensen te kijken. De TEFAF-visite haal je er zo uit. Chique dames, heren in Italiaanse maatpakken. Deftige kapsels in kleurtjes die zeker niet boven de eigen wastafel zijn aangebracht. Dure mensen. Niet wetend waar de lekkerste koffie of het best getapte biertje te krijgen is. Die vragen waar het Vrijthof is als ze er bovenop staan.

Soms zegt iemand: “Ik heb niks met kunst.” Dan heb je waarschijnlijk nog nooit echt naar kunst gekeken. Je hoeft geen bepaalde mate van intellect of kennis te hebben om van kunstwerken te genieten. Kunst ervaar je. Je vindt iets mooi of niet. Kunst roept gevoelens op; je kunt genieten van een schilderij, zodanig dat je er helemaal blij van wordt. Of ontroerd, verwonderd of nieuwsgierig. Waarom heeft de kunstenaar het zo gemaakt? Wat speelde er in de tijd waarin dit doek geschilderd is? Hoe zat de maatschappij toen in elkaar?  Kunst vertelt verhalen, geeft ons een ander beeld van de geschiedenis.

Ik citeer hersenwetenschapper Dick Swaab: “Als we iets mooi vinden geeft het beloningssysteem in onze hersenen dopamine af. Het stofje dopamine maakt ons blij. Dit beloningsysteem komt voort uit de eerste levensbehoeftes. Het systeem is oorspronkelijk gekoppeld aan dingen die belangrijk zijn voor het overleven. Hoewel kunst geen primitieve behoefte is, reageert je systeem wel op mooie kunstwerken. Want,” zegt Swaab, “de koppeling bestaat ook voor afgeleide dingen die je mooi, leuk of lekker vindt. Kunst valt daar ook onder.” Wat een goede reden om naar kunst te kijken! Als de TEFAF nog iets teveel van het goede is, wandel dan eens met open ogen door de stad, je weet niet wat je ziet. Maastricht is een openluchtmuseum. Bekijk de architectuur, loop eens een kerk binnen, bezoek één van de vele galerieën van plaatselijke kunstenaars en je zult je verbazen. Niet alleen over alle moois, maar ook over hoe je er zelf op reageert. Veel plezier gewenst in deze kunstige maand. En … geniet ook van die zeven zomerse dagen!

Vivianne Rijnders©

Ode aon eus Zate Hermeniekes

Hermeniekes-klaanke klinke
Wervele roond
Dwarrele neer
Op ’t Vastelaovendvierend volk
’t Ritme vaan remmelkes
Rammelezjang en zjiem
’n Sjuif, de dikke bombardon
Blinkende trompötte
’t Veendel vol medaajes
Wejjend in de wind
D’n tambour-maître
Gruuts veurop
In de maot of neet
Eus hermeniekes
Sjittere en sjijne
Sjinke us Mestreechter Geis
Betouvere de stad
Geve sjevraoje
Make veurjaor
In de winter

Dit gediech sjreef iech veur de sjriefwedstrijd vaan Veldeke Kring Mestreech en Tempeleers Mestreech: maak e gediech es Ode aon eus Zate Hermeniekes. Iech höb mèt gedoon en … GEWONNE! Oet han vaan euzen Hoegen Hoeglöstegheid Stadsprins Luc ll moch iech ’n Oerkonde én de Tempeleersorde , de Groet Officeer , vaan ’t Hermenieke oontvaange. Iech bin gruuts!

Vastelaovendsvrundsjes

Verleef op Mestreech, verleef op de Mestreechter Vastelaovend! En op Vastelaovendsvrundsjes netuurlek. ’t Einegste kinderbook boe-in alles euver euze Vastelaovend op kinderleke wijs besjreve weurt. Vaanaof ’t oetrope vaan d’n Hoegen Hoeglöstegheid tot en mèt Asselegoonsdag. Wat gebäört in dat vijfde sezoen allemaol in e Mestreechs hoeshawwe en in ’n Mestreechse kleutergróp? Mila&Nol vertèlle ’t uuch! ’n Heerlek veurleesbook veur kinder vaanaof drei jaor, leuk um zelf te leze veur awwer kinder en … de groete lui genete ouch devaan umtot ’t zoe herkinbaar is. Mèt prachtege illustraties vaan Jeannine Brouns, door de kinder lekker zelf in te kleure. Verkriegbaar bij Bookhandel Dominicanen in Mestreech.

En umtot neet allein in Mestreech Vastelaovend gevierd weurt, heet Loek van de Weijer dit book vertaolt en umgesjreve nao de Vastelaovend in Kèrkraoje. Dao hèt ’t daan “Vastelaovendskinger”.

Alletwie de beukskes zien vörmgegeve door Luiz Oliveira en oetgeve door Uitgeverij TIC. Ze stoon op de Limburgse Literatuur Lies, LiLiLi.

Hiel väöl (veur-)leesplezeer.

Vastelaovend same!

Vivianne Rijnders.

levensreis

Deze column schreef ik voor het City Magazine Maastricht&Regio van januari 2020

Een baby in een wiegje. Zo mooi, zo lief. Waar die wieg staat, bepaalt voor een groot deel de reis van het leven. Mijn kinderen lagen in een warm wiegje. Kregen liefde en veiligheid. Steun en troost. Gezelligheid. Alles wat ze nodig hadden en meer. We deden waar we van dachten dat het goed was. Maar we waren nog onbekend met het feit dat het leven je onverwachte reizen laat maken. Die soms een heel andere kant op gaan dan we willen. We zochten en vonden, we verlieten en kwamen terug. We kunnen kwaad worden omdat het anders gaat dan gehoopt. Kwaad, verdrietig. Niet doen. Omarm jezelf en daarmee het leven. Het gaat zoals het gaat, die levensreis.

De kroon op mijn leven is het baby’tje dat groeit in de buik van onze dochter. Een baby’tje dat ongelofelijk welkom is. Waar we naar uitkijken. Soms met zorgen, maar vooral met vreugde. Natuurlijk weten we niet hoe de reis van die kleine gaat lopen. Reizen gaat nu eenmaal over bergen en door dalen. Maar het nestje is veilig en vol liefde. En ook onze reis gaat strakjes een andere richting uit. Op weg naar iets nieuws. Met nieuw leven.

Hoe anders kan het zijn als je wieg niet in een veilige omgeving staat. Je levensreis zal zo anders verlopen. Vaak alleen, eenzaam. Niet wetend wat te doen. Als kleuter soms al niet, ik maak het mee als leerkracht. We proberen de kinderen in de juiste richting te sturen. Ze onze armen te bieden om in te schuilen. En hopen en bidden dat het goed komt en dat ze de juiste mensen tegenkomen.

Uiteindelijk worden we allemaal wie we werkelijk zijn. Aangepaste camouflage valt van ons af. Van ons, onze kinderen, onze kleinkinderen. Waar onze wieg ook stond. Hoe ver we ook gereisd hebben. Hoe hoog de bergen waren en hoe diep de dalen. Op de grote levensmomenten kunnen we ons moederziel alleen voelen ondanks alle geluk. Op kleine momentjes kunnen wij de vreugde in elke vezel van ons lijf voelen. Het is  allemaal onvoorspelbaar. Maar waar onze wieg ook stond, laten we genieten van onze reis. Immers, het eindpunt is niet het doel maar de reis zelf. Ook in 2020. Gelukkig nieuwjaar, goede reis!

Vivianne Rijnders

E Keersverhaol

Sinterklaos waor nog neet good en wel ’t land oet, of Fiena wouw ‘ne keersboum goon koupe. Zjaak bekeek häör ’ns. “Toch neet noe al!” “Iech hool ‘m wel allein,” spoojde Fiena z’ch te zègke. “Nein nein,” zöchde heer, “iech gaon wel mèt.” Stievele aon, hejse mèt en dao gónge ze. “Weurt ’t neet ’ns tied veur ’ne kunsboum?” vroog Zjaak. Fiena trok häör ougsbrauje op. “Toch neet zoe plastic geval? Iech wèl ’nen echte, dee iech kin ruke en water moot geve! Dat huurt zjus bij Keersemes. De lui hole ’ne greune boum in hoes umtot ze daan aon ’t veurjaor gerappeleerd weure!” Fiena keek ‘ns opzij en zaog tot ze beter niks mie kós zègke. Enfin, op zeuk nao dé keersboum dus. In de fèlm is dat altied ein en al romantiek. E koppel mèt gezèllege mötse op en keerstruie aon die punentere in de snie e prachteg exemplaar vinde, oonderweeg nao hoes bij e kräömke same glühwein drinke en later bij e keersmeziekske de boum versere. Meh jeh, ’t leve is geine fèlm. Dus nao zoe’n tien buim te höbbe aofgekäörd, te klein, te deur, te iel, ruzelt noe al, te dik en mie elend, zag Zjaak: “Este noe neet gaw einen oetzeuks goon v’r zoonder boum nao hoes.” Fiena sjaarde z’ch e buimke, rekende aof en motsentere “Waor ’t mer um, dee flawweköl”, laojde Zjaak ’t dink in d’n oto. Thoes gekoume wouw h’r geliek e kruus droonder tummere meh ouch dat ging neet vaan e leie deekske. Verkierd um, negel neve de stam … In d’n hoof kloonke wäörd die zier wieneg mèt Keersemes te make hadde. Fiena bewoog z’ch de res vaan d’n daag muiskestèl door ’t hoes en besloot deen aovend extra lekker te koke. En e paar daog later, wie niemes thoes waor, verseerde Fiena de boum, zat ’t stelke droonder, hóng de krans aon de deur en kleide ’t hoes wijer aon mèt lempkes en bougies. Oonderwijl ze heerlek vals keersleedsjes mètzóng.

Meh toen. Wee kump wienie, wat it ederein gere of zjus neet. Belle en appe, recepte oetzeuke. “Waor ’t mer um, dee flawweköl,” zag Zjaak. Fiena sjouwde mèt kalbasse, propte d’n diepvries vol en sjreef z’ch op wienie wat gegete zouw weure. Wie dèks waor ’t al neet gebäört tot ze, es alles achter de rögk waor, ’n aubergine of ’n duuske garnale oonder in de ieskas voont.

’t Góng stèllekes drop aon. Ze koch z’ch e nui bluuske en kaom wie langer wie mie in de stumming. Netuurlek móste dao veur de kinder ouch kedokes oonder de boum ligke. Op de mies regenechtegen daag vaan de week góng Fiena op de fiets nao de stad, want boe móste d’nen oto kwiet mèt die daog vaan Magisch Mestreech? In de Groete Staat perpeerde ze vaan de linker- nao de rechterkant vaan de straot te loupe. En daonao trök. Dat kosde häör e stief eurke. ’t Water siepelde häör sjeun in, häör nate haore hónge piezeleg langs häör geziech. ’ne Perreplu waor gein doen in die drökte. De winkels waore vol, de lui sjagrijneg. Wie ze weer op häör kemissiebreefke loerde, waor d’n ink doorgeloupe.

’t Woort Keersaovend. De winkels gónge touw. “Gelökkeg,” dach Fiena, “noe kin iech niks mie draon doen es iech get vergete bin.” “Waor ’t mer um, dee flawweköl,” zag Zjaak. En Fiena maakte in de keuke get lekkers veerdeg. Wie ze later op d’n aovend door d’n hoof nao ’t sjeurke leep, hoort ze de hermenie bij de kèrk ‘Stèlle Nach’ speule. Grameer lojde. ’t Waor druug en d’n hiemel stoont vol stare. Ze zeukde de groetste, de straolendste. Vennach weurt ’t Keerskinneke gebore. En wie eder jaor waor Fiena ouch noe weer deep oonder d’n indrök. Ze bleef lang stoon. Luusterde nao ’t geloj en nao de meziek. Loerde nao de stare. Genetend. Gereurd. ’n Hart wie e broed. ’t Is … Keersemes.

Vivianne Rijnders©